We hebben onze woede nodig

“Uit de bijgebrachte stukken blijkt dat de beklaagde een getalenteerde en geëngageerde jongeman is die zowel privé als professioneel sterk wordt geapprecieerd. […] Rekening houdende met 1) de jonge leeftijd van de beklaagde, 2) zijn blanco strafrechtelijk verleden, en 3) de gunstige persoonlijkheid van de beklaagde, is de rechtbank van oordeel dat het passend is om de uitspraak van de veroordeling op te schorten voor de beklaagde, teneinde hem tot schuldinzicht te brengen en recidive te voorkomen zonder hem maatschappelijk te ontwrichten.”

Ik citeer uitgebreid uit een vonnis, recent uitgesproken door de Leuvense rechtbank. Een getalenteerde jongeman die zowel privé als professioneel sterk geapprecieerd wordt, met een gunstige persoonlijkheid, en zo jong nog bovendien. Waarover gaat dit? Een jongetje van twaalf dat betrapt werd toen hij een zak snoep stal? Een rebelse tiener die graffiti spoot waar dat niet mocht, maar zich laten meeslepen had door zijn vrienden? Twee goede gokken, maar nee: dit is een zedenzaak, waarin een student gynaecologie schuldig bevonden werd aan het verkrachten van een medestudente. Hij werd echter niet gestraft, en dit om de redenen die ik hierboven aanhaalde uit het vonnis.

Deze zaak roept, toch in de kringen waarin ik mij online en offline bevind, veel verontwaardiging en woede op. Hoe kon het dat de toekomstige carrière van een student gynaecologie niet in het gedrang mag komen als hij zich schuldig maakt aan verkrachting? Hoezo waren zijn persoonlijkheid en ambitie verzachtende factoren, terwijl aan die van het slachtoffer geen aandacht besteed werd? Er volgden betogingen in Gent, Leuven en Antwerpen. Mijn feeds op sociale media verenigden zich in collectieve feministische woede. Opvallend was wel dat die initiële woede al snel gevolgd werd door een tweede golf aan posts, in de zin van: nee, ik ben geen jurist, maar mag ik dan niet kwaad zijn?

Laat ik hier even een klein autoriteitsargumentje inzetten. Ik heb een doctoraat en een boek over feministische woede geschreven, en gebruik bij deze elk sprankeltje academische autoriteit die ik heb om het volgende te zeggen: natuurlijk mag je kwaad zijn. Natuurlijk is je emotie hier gepast. Natuurlijk heeft je woede waarde. En wel hierom.

De Australisch-Amerikaanse moraalfilosofe Kate Manne heeft erg grondig onderzoek verricht naar het fenomeen misogynie. Ze maakte een zogenoemde amelioratieve analyse van het concept. Daarin onderzocht ze niet wat misogynie volgens het woordenboek betekent, noch hoe het concept in de realiteit gebruikt wordt, maar ging ze nog een stap verder: hoe zouden we het concept misogynie zo effectief en doeltreffend mogelijk kunnen inzetten? Haar analyse kwam erop uit dat misogynie het best gezien wordt als een structureel, maatschappelijk probleem. Het wijst op de structuren en systemen die in onze samenleving ingebakken zitten en ervoor zorgen dat vrouwen op allerlei vlakken benadeeld worden. Het zegt dus weinig over het karakter van individuen, maar kan wel een dieper liggende verklaring bieden voor hun gedrag en denkwijzen. Als een student de grenzen en fysieke autonomie van een medestudente aan zijn laars lapt, heeft het weinig zin om hem misogyn te noemen—wel om te kijken naar de maatschappelijke context waarin zijn misogyne handelingen tot stand kwamen.

Misogynie heeft ontelbare mechanismen en tentakels, zegt Kate Manne. Een daarvan is hempathie. Dit mechanisme treedt in werking wanneer er bovenmatig meegeleefd wordt met mannen die dat medeleven eigenlijk niet verdienen. Specifiek kunnen mannelijke daders van seksueel geweld al te vaak op hempathie rekenen. Zulke ‘golden boys’ worden zodanig sympathiek bevonden, zodanig veelbelovend, dat het absurd lijkt hen te straffen. Hempathie gaat zo ver dat er een wissel van slachtoffer en dader dreigt plaats te vinden. Die arme jongen toch, zijn veelbelovende toekomst in gevaar door een onschuldige vergissing. Wie heeft hem dit aangedaan? Inderdaad, zijn slachtoffer, dat klacht indiende—en zo de daderrol aangemeten krijgt omdat ze haar mond durfde opendoen tegenover een golden boy. Deze verwisseltruc is ook hier goed zichtbaar. Als we geconfronteerd woorden met zijn woord tegenover het hare, zo blijkt, zal onze empathie vaker wel dan niet aan hem toegekend worden—en niet aan haar. En dat is misogynie.

Dit alles maakt vrouwen dus kwaad, en ik kan niet genoeg benadrukken hoe terecht die woede is. Dat ze geen juristen zijn brengt daar geen verandering in. Hun oordeel is immers moreel van aard, en niet juridisch—net als het mijne. Woede is een morele emotie, en laat van zich horen in reactie op morele schade. Vrouwen voelen zich onveilig, niet serieus genomen, niet gehoord. Woede die op dergelijk onrecht reageert, is gepast. Meer nog: zulke feministische woede kan potentieel erg krachtig zijn. Woede zorgt ervoor dat we onrecht opmerken, helpt ons om het samen beter te begrijpen, en spoort ons aan te strijden voor verandering. Feministische woede is waardevol. Jouw woede is waardevol. Kalmeren is dus niet aan de orde—zolang onze woede nodig blijft.

Standard

Als een vis in het water

Wie genoeg zelfhulpboeken leest, merkt al snel dat er terugkerende thema’s zijn. De lange naam van de wetenschapper die het concept flow bedacht is er eentje, Mihaly Csikszentmihalyi, net als een haast existentialistisch geloof in de individuele maakbaarheid van de mens. Nog een vaste waarde is de parabel uit een speech die de Amerikaanse auteur David Foster Wallace ooit gaf aan een klas afstuderende studenten. Die gaat ongeveer zo. 

Twee jonge vissen zijn aan het zwemmen, op weg naar wat zeewier of een koraal of een interessante rots met een gat in. Onderweg komen ze een oude vis tegen, die hen begroet. Dag jongens! Mooie dag hè, en wat is het water helder vandaag! De jonge vissen kijken de oudere vis spottend na. Typisch oude mannen, zomaar vissen aanspreken. En water, wat is dat zelfs?

Moraal van het verhaal: het water waarin ze zwommen was zodanig normaal voor de jonge vissen, zodanig vanzelfsprekend, dat ze zich er zelfs niet van bewust waren dat het bestond. Daar trekken productivity bro’s dan allerlei productieve lessen uit, die er meestal op neerkomen dat het hoog tijd is wakker te worden en het heft in handen te nemen. Wake up, sheeple!

Maar ook een andere, zachtere lezing is mogelijk. Als mensen worden we sterk beïnvloed door de context waarin we leven. Dat geldt waarschijnlijk ook voor pony’s of appelbomen, maar ik beperk mij hier even tot mensen. Die context gaat vaak ongemerkt te werk. Sommigen geeft ze een duwtje in de rug, met privileges als sociale klasse, geaardheid, en ras. Helder water verrijkt met extra voedingstoffen. Anderen hindert de context eerder, met ongelijkheid, discriminatie en geweld. Troebel water waarin het moeilijk zwemmen is—en dat moeilijk te negeren is. 

Soms begin je je leven in een aquarium waarin het water zo helder is dat het je niet opvalt. Je zwemt heen en weer, hier en daar, van rots naar zeewier en terug. Je bouwt een leventje. Je bent zodanig druk met zwemmen, met de taken van elke dag, dat je niet merkt dat het water eigenlijk al lang niet meer zo helder is. Het is troebel, groen getint, giftig voor een vis als jij. Maar dit is het water dat je kent, jouw rots en jouw zeewier. Dus je zwemt verder. 

Tot het niet meer kan. 

Om dat dan onder ogen te zien, een streep in het aquariumzand te trekken met je vin, en overboord te springen naar onbekende oorden—dat heet moed. Productivity bro’s hebben het over risico’s afwegen tegenover winsten, over maakbaarheid en meritocratie. Maar zij vergeten het water. Dat jij, kleine vis, geen kosten-batenanalyse met schubben bent. Dat het aquarium jouw leven was, het water jouw bestaan. Dat jij sprong. 

Standard

Over (in)activisme en schuldgevoel

Gisteren ging ik niet naar het pro-Palestinaprotest in Gent, ook al vond het praktisch voor mijn deur plaats. Daar voelde ik mij schuldig over. Nu waren mijn vrienden er snel bij om te zeggen: jij moet dat helemaal niet doen! Jij bent in ziekteverlof, jij moet rusten! En ja, dat is waar, dat weet ik ook wel. 

Toch ben ik bang om in het soort wit middenklasse-activisme te vervallen dat wel stories deelt op Instagram maar verder nooit hun nek uitsteekt. Social justice keyboard warriors, wiens offline leventje ongestoord verder kabbelt. 

Maar tegelijk weet ik ook: zo zwart-wit is het niet. Op straat komen is een vorm van activisme, maar er zijn er nog zo veel meer. Geld geven. Tijd geven. Aandacht geven, aan verhalen van Palestijnen en andere onderdrukte groepen. Je platform gebruiken, via traditionele of sociale media. Boycotten en je koopgedrag voor je laten spreken. Enzovoort. 

Zo ging ik gisteren op mijn silly little walk met mijn kufiya aan. Een klein soloprotestje, weg van de menigte en zonder langer te moeten rechtstaan dan gezond voor mij is. Vandaag doe ik mijn Duolingo-lesje Arabisch. Morgen lees ik een boek van een Palestijnse auteur. Dat is ook activisme. En dat is ook goed. 

Dus schrijf ik het hier nog eens, voor mijzelf en voor jou: activisme mag verschillende vormen aannemen. Zolang het er maar is. Zolang je je best doet, hoe dat er ook uitziet. Zolang het nodig is. 

🍉✊

Standard

Het nut van een dode taal: over Grieks en Latijn in het middelbaar onderwijs

Eens om de zoveel jaar is het zover: het debat over het nut van lessen Grieks en Latijn in ons middelbaar onderwijs steekt weer de kop op. Twitter heeft er vanalles over te zeggen, met meningen van virologen tot filosofen en alles daar tussenin. De argumenten die voorbij komen draaien vaak rond nut. Tegenstanders vinden de opleiding een dure maar nutteloze hobby, voorstanders vinden er net een onbetaalbare meerwaarde in. Zelf wil ik twee dingen duidelijk maken: ja, klassieke talen hebben een nut, maar nee, de nutsvraag is niet de juiste om de opleiding aan af te wegen.

Ik heb wel wat ervaring met nutteloze bezigheden. In het middelbaar studeerde ik Grieks-Wiskunde, aan de unief behaalde ik twee masters in de filosofie, en nu werk ik als doctoraatsonderzoeker binnen de vakgroep Wijsbegeerte aan de UGent. Zo hoor ik al van mijn twaalf jaar geregeld de vraag: “Maar wat kan je daar dan mee doen?” Soms, afhankelijk van de hoeveelheid geduld die ik nog over heb, antwoord ik vrolijk “Niets!” en wacht ik de licht verbouwereerde reacties af. Gelukkig heb ik ondertussen ook al een serieuzer antwoord klaar, en dat draait, zoals zo veel binnen de humanities, om transferable skills. Gaan we met zijn allen de klassieke talen weer tot leven wekken door vele uren te investeren om de jeugd actief Latijn en/of Grieks te leren spreken? Nee. Wat de studie van klassieke talen ons bijbrengt, ligt eerder op een metaniveau. Een student Latijn of Grieks krijgt een diepgaand taalinzicht mee dat net zo goed toepasbaar is op moderne talen, zowel in de grammatica als in de onderlinge samenhang en opbouw ervan. Ze leert analytisch, oplossingsgericht en abstract denken, en schrikt niet terug voor een moeilijke puzzel of een onopgelost probleem. Bovendien biedt een opleiding klassieke talen een waardevol inzicht in culturen die ontegensprekelijk fundamenteel geweest zijn voor de onze, en om dat uit de eerste hand te mogen leren, rechtstreeks uit de mond van de Grieken en de Romeinen, is een privilege. 

Aha!, denkt u. Een privilege! Is dat niet per definitie meer dan het zuiver noodzakelijke, en dus een verspilling van ons belastinggeld? Wel, nee. Hier komen we bij mijn tweede punt: de nutsvraag is niet de juiste vraag. Want wat bedoelen we met “nut”? De Dikke Van Dale hoeft niet te twijfelen: nut is een “omstandigheid of eigenschap waardoor iets tot een doel kan dienen of voordeel kan opleveren”. Maar welk doel bedoelen we dan? En een voordeel voor wie? In veel van de argumenten contra klassieke talen, lijkt – impliciet of expliciet – een antwoord vervat te zitten: het nut van een studie, dat is de voorbereiding op een job. Productieve arbeid dus, oftewel, netjes meedraaien in het kapitalistische systeem waarin we nu eenmaal leven. Maar is dat echt alles wat we van ons onderwijs mogen verwachten? Vakken als Latijn en Grieks, maar ook filosofie, levensbeschouwing, literatuur, plastische opvoeding, esthetica… zullen er inderdaad zelden in slagen om leerlingen klaar te stomen voor een rol in de maatschappij waar ze veel productieve waarde zullen hebben – ttz, waar ze veel omzet zullen maken. Toch zou ons leven wel heel arm zijn zonder literatuur of kunst. En hetzelfde geldt voor ons onderwijs: onze jongeren verdienen meer dan aan de lopende band tot productieve werkers gevormd te worden. Ze verdienen verrijking, verdieping, zelfs verstrooiing. Ze verdienen dit privilege. 

Mijn leraar Grieks zei ooit: is het geen luxe om ons te kunnen bezighouden met iets dat volstrekt nutteloos is? Daar kon ik het niet meer mee eens zijn. Ja, de klassieke talen zijn luxe, ja, ze zijn een privilege. Maar zonder luxe is het onderwijs arm, en onze maatschappij ook.

PS: De classici onder ons kunnen ook fijntjes wijzen op de etymologie van het woord “school”. Dit komt immers van het Griekse σχολή (scholè), dat zoveel als vrije tijd of ontspanning betekent.

Standard

Bulldozer of Barbie

Zweden benoemde vandaag Magdalena Andersson als eerste vrouwelijke premier in de geschiedenis van het land. Die timing is symbolisch belangrijk, want vrouwen kregen in Zweden exact honderd jaar geleden het stemrecht. Na een eeuw lang hun stem uitgebracht te hebben, zien de Zweedse vrouwen zich nu dus ook vertegenwoordigd aan de politieke top van hun land. Die benoeming wordt gevierd als een overwinning voor vrouwen en vrouwenrechten. Hoera! Toch?

Ik wil het gejubel over girl power wat nuanceren. Uiteraard ben ik ook blij dat vrouwen meer en meer belangrijke posities kunnen innemen. Vertegenwoordiging is belangrijk, en iedereen verdient het om zichzelf weerspiegeld te zien in haar leiders. Tegelijk is het eigenlijk onvoorstelbaar dat zulke benoemingen in het jaar 2021 nog steeds primeuren zijn. De eerste premier van Zweden werd benoemd in 1876 en kende ondertussen al meer dan dertig opvolgers. Dat tot vandaag geen daarvan een vrouw was, is ronduit bedroevend. Het is dus zeker een overwinning dat Andersson als eerste vrouwelijke premier kan aantreden, maar haar benoeming komt veel te laat. 

Bovendien maken we ons best niet al te veel illusies over de reële impact van een eerste vrouwelijke premier. Dergelijke mijlpalen vervallen al snel in symbolische overwinningen zonder voelbare effecten. De bedoeling van de feministische strijd voor vrouwenrechten zou immers niet mogen zijn om een paar uitverkoren vrouwen door het glazen plafond heen naar de top te katapulteren, zonder oog te hebben voor de overblijvende vrouwen die de scherven mogen opvegen. 

Ook opvallend is de beeldvorming rond Anderssons benoeming. Op Instagram werd er gestrooid met hashtags als #girlpower en emoji’s met hartjesogen, maar sommige meer traditionele media pakten het anders aan. Zo koos De Morgen voor “‘Bulldozer’ Magdalena Andersson benoemd als eerste vrouwelijke premier Zweden” als kop. Bulldozer, echt? Dat zulke talige extremen gebruikt worden om Andersson te beschrijven, illustreert mooi de onmogelijke situatie waarin machtige vrouwen zich nog steeds bevinden.

Vrouwen met macht kunnen het immers nooit goed doen. Aan de ene kant krijgen ze te maken met de verwachtingen die samenhangen met hun gender. Die zijn vrouwelijk gecodeerd: ze moeten zich emotioneel, gevoelig, bijna moederlijk opstellen. Aan de andere kant staan echter de verwachtingen van hun positie. Die zijn mannelijk gecodeerd, door het historische feit dat zo goed als al hun voorgangers en modellen mannen waren. Zo wordt verwacht dat een leider zich sterk houdt, op zijn strepen staat, rationeel en standvastig is. 

Die verwachtingen zijn onmogelijk te verenigen in één persoon. Daardoor krijgen vrouwen in publieke machtsposities al te vaak af te rekenen met kritiek op hun gedrag en voorkomen. Zo vertelde infectiologe Erika Vlieghe deze zomer aan De Morgen dat ze het verwijt kreeg emotieloos te zijn, geen EQ te hebben. Aan de andere kant zien we bijvoorbeeld minister Annelies Verlinden, die tijdens haar bezoeken aan de overstromingen in Wallonië via sociale media kritiek kreeg op haar kledingkeuze en beschuldigd werd van ijdelheid. Vlieghe te mannelijk, Verlinden te vrouwelijk: het is nooit goed. Diezelfde onmogelijke situatie is onderliggend aan de woordkeuze van De Morgen. Door Andersson een bulldozer te noemen, krijgt ze het verwijt te sterk te zijn, te hard… te mannelijk. 

Een vrouw aan de top in Zweden is dus wel degelijk een goede zaak, maar er moeten een paar kanttekeningen geplaatst worden bij het gejubel. Haar benoeming komt erg laat en loopt het risico zuiver symbolisch te zijn. Bovendien laat de publieke reactie erop zien dat genderstereotypen en vooroordelen nog sterk ingebed zijn. Er is nog een lange weg te gaan.

Standard